Woensdag 23 september 2015

Sportrelevante betekenis van chondrocalcinose en CPPD. Literatuuronderzoek naar aanleiding van een casus met een radiologische toevalsbevinding.

Nadat een volleybalster zich met knieklachten meldde op het sportspreekuur in het UMC Utrecht, werd bij toeval chondro calcinose gevonden. Aan de hand van de casus werd een literatuuronderzoek gedaan.
Casuistiek, verschenen in Sport & Geneeskunde, 3, 2012. B G.W. Lentjes, G. Stapper, A.W.A.M. van Rijthoven, F.J.G. Backx. Trefwoorden: chondrocalcinose, sport, CPPD, kraakbeen, calciumpyrofosfaat-kristallen, calcium pyrophosphate deposition, NSAID, NSAID's, chondrocalcinosis, acute calciumpyrofosfaat-kristal artritis, kristal-deposities,

Samenvatting

Nadat een volleybalster zich met knieklachten meldde op het sportspreekuur in het UMC Utrecht, werd  bij toeval chondrocalcinose gevonden. Aan de hand van de casus werd een literatuuronderzoek gedaan. Chondro---calcinose verwijst naar het radiologische of histologische beeld van deposities van calciumzouten in bind- en kraakbeenweefsels. Chondrocalcinose op zich is vaak een asymptomatische toevalsbevinding maar kan ook een scala aan problemen geven, zoals acute ontstekingsverschijnselen en chronische artropathie; in de Engelstalige literatuur wordt “calcium pyrophosphate deposition” (CPPD) als overkoepelende beschrijving gebruikt. De meest aangedane gewrichten zijn de knie, schouder, enkel en pols. Klachten als pijn, stijfheid, zwelling en bewegingsbeperking kunnen zeer belemmerend zijn tijdens het sporten. De prevalentie van CPPD neemt toe met het ouder worden. In de meeste gevallen is geen oorzaak bekend, maar onderzoek naar onderliggende metabole of endocriene stoornissen of familiaire betrokkenheid kan geïndiceerd zijn. De definitieve diagnose wordt gesteld op basis van analyse van synoviaal vocht, maar röntgenfoto’s en echografie zullen in de dagelijkse praktijk meer geschikt zijn voor de diagnostiek. De behandeling bestaat vooral uit het bestrijden van eventueel aanwezige symptomen, waarbij NSAID’s en intra-articulaire glucocorticosteroïden het meest geschikt zijn. Colchicine is eveneens effectief in acute gevallen en kan daarnaast mogelijk ook het aantal aanvallen beperken. In het geval van chondrocalcinose kan als sportadvies gelden dat sportbeoefening gecontinueerd kan worden op geleide van de klachten. Relatief onbelaste bewegingsvormen verdienen hierbij de voorkeur.

Summary

After a volleyball-player visited the sports clinic at the University Medical Center in Utrecht (the Netherlands) with knee complaints, chondrocalcinosis was found on X-ray by coincidence. A literature survey was done to find out what was published about this subject. Chondrocalcinosis refers to typical calcifications of cartilage and collagen tissue on radiographs. It is often asymptomatic but can be associated with a variable clinical spectrum of acute or chronic inflammatory, degenerative and destructive joint manifestations. Calcium pyrophosphate deposition (CPPD) is used as the umbrella term for all instances of calcium pyrophosphate crystal occurrence. The sites most commonly affected are the knee, shoulder, ankle and wrist. Complaints like pain, stiffness, hydrops and a limited range of motion can inhibit satisfying sports performances. The prevalence of CPPD in the general population increases with age. Most cases are idiopathic, but early disease requires examination for electrolyte- or endocrine disorders or familial involvement. The definitive diagnosis is based on synovial fluid analysis, but also X-rays and ultrasonography correlate well and seem to be better applicable in daily practice. Treatment is primarily symptomatic; NSAIDs and intra-articular glucocorticosteroids are most useful. Colchicine is also effective in acute arthritis and it can diminish the number of attacks. In case of chondrocalcinosis, sports can be continued depending on the complaints. It is advised to reduce axial and torsional movements of the affected joints.

Inleiding en methode

Chondrocalcinose is een onderwerp met een multidisciplinair karakter dat betrekking heeft op onder andere de sportgeneeskunde, radiologie, reumatologie en orthopedie. Na een aantal patiënten met chondrocalcinose gezien te hebben, ontstond er vanuit de sportgeneeskunde vraag naar een verdieping van het intrigerende onderwerp en naar de relevantie voor de sportgeneeskundige praktijk?
In onderhavige beschrijving wordt geprobeerd antwoord te geven op vragen als:

  • Wat is chondrocalcinose?
  • Hoe en bij wie presenteert deze aandoening zich?
  • Wat is de pathogenese, diagnostiek en behandeling bij deze aandoening?
  • Welke relaties bestaan er tussen chondrocalcinose en sport?
  • Welke adviezen ten aanzien van sportbeoefening kunnen aan patiënten met chondrocalcinose worden gegeven?

Teneinde een globale indruk te geven van de beschreven literatuur is -naar aanleiding van de beschreven casus- via PubMed, Embase en the Cochrane Library gezocht naar artikelen middels de zoektermen ‘chondrocalcinosis’, ‘calcium pyrophosphate dihydrate’, ‘calcium pyrophosphate deposition’ en ‘CPPD’.

Casus

Op het sportspreekuur in het UMC Utrecht komt een 41-jarige volleybalster. In het dagelijks leven is zij werkzaam als apotheker, waarbij ze voornamelijk zittend werk doet. Vier maanden tevoren maakte ze tijdens het volleyballen een verkeerde uitstapbeweging, waarna zij de volgende dag pijnklachten aan de laterale zijde van de linkerknie ontwikkelde. Twee maanden later maakte ze bij het afstappen van een steiger een misstap waarna opnieuw pijnklachten van de linkerknie (nu aan de mediale zijde) ontstonden. Op het moment van presentatie veroorzaakt lang wandelen pijn aan de anteromediale en laterale zijde van de linkerknie. De knie wordt daarbij niet dik of warm. Er bestaan geen “giving way”- en slotverschijnselen. Tevens heeft zij niet eerder klachten gehad die kunnen wijzen op gewrichtsontstekingen.
Bij lichamelijk onderzoek wordt een fors overgewicht (97 kg, BMI 33 kg/m2) gezien. Tevens is er een gegeneraliseerde hypermobiliteit (Beighton score 7). In geen van de gewrichten worden tekenen van gewrichtsontstekingen gevonden. Bij onderzoek van de linkerknie wordt geen hydrops gevonden. Er is geen pijn bij palpatie van de gewrichtsspleet of bij het testen van de patello-femorale functie. Passief functieonderzoek laat normale bewegingsuitslagen zien. Bij de Lachman-test slaat de voorste kruisband in beide knieën aan, maar is de speling in de linkerknie vergroot. Valgus- en varus-stresstesten zijn negatief, als ook de meniscustesten. Er is sprake van een matig ontwikkelde quadriceps en bij het maken van uitvalpassen treedt valgisatie van de aangedane knie op. Voorts is sprake van onvoldoende actieve enkelstabiliteit beiderzijds. Bij het beoordelen van de statiek wordt hyperpronatie van de voeten gezien. De beenassen zijn recht, evenals de stand van de heupen met tevens normale rotaties in laatstgenoemde gewrichten. Aanvullende diagnostiek bestaat uit conventionele röntgenfoto’s van de knieën ter uitsluiting van beginnende degeneratieve afwijkingen bij het forse overgewicht. In beide knieën zijn zowel in de mediale als laterale gewrichtsspleet verkalkingen zichtbaar, passend bij chondrocalcinose. In de linkerknie is ook enige aanpunting van de eminentia medialis aanwezig.
Concluderend is hier sprake van een 41-jarige volleybalster met fors overgewicht en knieklachten op basis van insufficiënte actieve stabiliteit van de knie en de enkels bij wie bij toeval chondrocalcinose is gevonden.

Als behandeling wordt het volgende beleid ingesteld:

  • gewichtsvermindering met behulp van regelmatige fitnesstraining en gerichte voedingsadviezen;
  • oefenprogramma gericht op het verbeteren van de actieve stabiliteit van de knie, enkel en voet;
  • aanschaf van stevig steunend schoeisel ter ondersteuning van de statiek en ter preventie van valgisatie van de calcaneus en (indirect) valgisatie van de knie.

Epidemiologie en kliniek van chondrocalcinose en CPPD

De term chondrocalcinose wordt vaak als synoniem gebruikt voor de aandoening waarbij calciumpyrofosfaat-kristallen in bind- of kraakbeenweefsels worden afgezet. In de Engelstalige literatuur wordt de overkoepelende term calcium pyrophosphate deposition (CPPD) gebruikt. Maar ondanks het feit dat chondrocalcinose en CPPD soms samen gaan, is het niet juist de twee als synoniemen van elkaar te gebruiken, omdat chondrocalcinose verwijst naar het radiologische of histologische beeld van deposities van calciumzouten in bind- en kraakbeenweefsels.1,2,3 Deze zouten zijn vaak calciumpyrofosfaten, maar ook andere calciumkristallen (zoals calciumhydroxyapatiet) kunnen chondrocalcinose veroorzaken.4

De prevalentie van chondrocalcinose neemt toe met het ouder worden. Bij mensen jonger dan 50 jaar komt het radiologische beeld nauwelijks voor,4 terwijl bij 55-59 jarigen een prevalentie van 4% en bij 80-84 jarigen een prevalentie van ongeveer 18% wordt gevonden.3,5 Bij een toenemende levensverwachting zal het aantal patiënten met chondrocalcinose stijgen. In combinatie met het feit dat ouderen steeds meer en langer wensen door te gaan met sportieve activiteiten, zullen sportartsen vaker geconfronteerd worden met het ziektebeeld en zal men zich er bewust van moeten zijn dat CPPD in de differentiaal diagnose hoort bij ‘onbegrepen’ gewrichtsklachten.

De calciumpyrofosfaat-kristallen kunnen zich overigens op verschillende wijzen presenteren. Vaak zijn en blijven ze asymptomatisch aanwezig. De kristallen kunnen echter ook een acute artritis of een chronische artropathie veroorzaken.3,4
Bij de acute artritis op basis van calciumpyrofosfaat-kristallen gaat het vaak om één aangedaan gewricht. In ongeveer 15% van de gevallen is sprake van een polyartritis.6 Vooral de knieën zijn vaak betrokken, waarbij de menisci meestal -net als bij de volleybalster in de casus- bilateraal zijn aangedaan. Ook kraakbeen in polsen, handen, schouders, enkels, ellebogen en heupen kan aangedaan zijn.6 Het klinische beeld -met pijn, roodheid, zwelling en bewegings-beperking- is nauwelijks te onderscheiden van jicht en werd daarom voorheen ook wel ‘pseudojicht’ of ‘pseudogout’ genoemd. Recent is echter voorgesteld de term ‘pseudojicht’ niet meer te gebruiken om verwarring (bij patiënten) te voorkomen.3
Wanneer calciumpyrofosfaat-kristallen een chronische artropathie veroorzaken betreft het meestal vrouwen (verhouding man:vrouw 1:4) met een gemiddelde leeftijd van 75 jaar.4 Ook deze chronische artropathie presenteert zich middels pijn, stijfheid en bewegingsbeperking in dezelfde gewrichten als die betrokken zijn bij de acute artritis op basis van calciumpyrofosfaat-kristallen.4

Terminologie

Naast chondrocalcinose zijn dus andere namen aan het onderwerp gerelateerd. Deze terminologie kan verwarrend zijn. Resumerend is chondrocalcinose een beschrijving van een radiologische of histologische bevinding die vaak geen klinische verschijnselen geeft maar geassocieerd kan zijn met acute of chronische gewrichtsontstekingen op basis van calciumpyrofosfaat -kristallen. Er wordt gepleit voor het gebruik van CPPD als overkoepelende beschrijving.3

Etiologie

In de meeste gevallen van afzettingen van calciumpyrofosfaat-kristallen is geen oorzaak bekend en is dus sprake van een idiopathische vorm. Er bestaat echter een aantal factoren en ziektebeelden die geassocieerd zijn met chondrocalcinose. Dit zijn eerdere traumata van het gewricht7 en enkele metabole of endocriene stoornissen die een rol spelen in het pyrofosfaatmetabolisme, zoals hemochromatose, hypomagnesiëmie, hypofosfatemie, hyperparathyreoïdie en vermoedelijk hypothyreoïdie.3,8 Tevens bestaat een familiaire vorm van CPPD waarbij de klinische verschijnselen op jongere leeftijd optreden dan normaal gesproken wordt gezien. Bij een aantal van deze familiaire gevallen zijn mutaties in de humane homoloog van het ANK-gen (ANKH) beschreven.9

Pathofysiologie

De energie die nodig is voor allerlei processen in het lichaam wordt voornamelijk verkregen uit adenosine-tri-fosfaat (ATP), waarbij het zit opgeslagen in fosfaatbindingen. Bij het afsplitsen van fosfaatgroepen middels hydrolyse komt deze energie vrij (figuur 1a). Bij de directe omzetting van ATP in adenosine-mono-fosfaat (AMP) ontstaat behalve energie ook anorganisch pyrofosfaat (formule: P2O72-, afkorting: PPi) (figuur 1b).

Anorganisch pyrofosfaat kan vervolgens door fosfatasen (bijvoorbeeld alkalisch fosfatase) worden omgezet in anorganisch fosfaat (PO43-). Pyrofosfaat kan echter ook een andere reactie aangaan, waarbij het neerslaat als het onoplosbare calciumzout calciumpyrofosfaatdihydraat (formule: Ca2P2O7 ·2H2O). Dit gebeurt bij de aandoeningen die het radiologische beeld van chondrocalcinose veroorzaken.4
Het probleem bij CPPD is waarschijnlijk lokaal, op het niveau van chondrocyten, gelegen. Er zijn twee theorieën die dit idee ondersteunen.

Ten eerste speelt vermoedelijk overactiviteit van de groep van nucleoside triphosphate pyrophosphohydrolase (NTPPPHase)-enzymen een rol. Deze enzymen – die zich bevinden op het oppervlak van de celmembraan van de chondrocyt – fungeren als katalysator van de in figuur 1b beschreven reactie. Ze bevorderen door de hydrolyse van ATP het proces van pyrofosfaat-productie. Bij overactiviteit van de enzymen treedt dus overmatige pyrofosfaat-vorming op, wat na saturatie leidt tot de vorming van calciumpyrofosfaat-kristallen.10

Een tweede theorie richt zich op betrokkenheid van het bovengenoemde ANKH-gen. Het product van dit gen is een transmembraaneiwit waarvan in hoge mate expressie optreedt in chondrocyten. Dit eiwit dient als regulator van het transport van anorganische pyrofosfaten (PPi). Bij een verstoorde ANKH-acitiviteit kan pyrofosfaat zich extracellulair opstapelen met calciumpyrofosfaat-kristallen tot gevolg.11

Diagnostiek

Bij het vermoeden op gewrichtsaandoeningen door calciumpyrofosfaat-kristallen zijn verschillende vormen van diagnostiek voorhanden. Grofweg zijn deze in te delen in synoviaal onderzoek en verschillende soorten van beeldvormend onderzoek.

Synoviale bevindingen

Het aantonen van calciumpyrofosfaat -kristallen in synoviale vloeistof wordt gezien als de ‘gouden standaard’ bij het diagnosticeren van een calciumpyrofosfaat-kristal geassocieerde artritis.
De aanwezigheid van polymorfe, staafvormige, dubbelbrekende kristallen onder de microscoop in synoviale vloeistof is kenmerkend. De gewrichtsvloeistof moet binnen een dag na aspiratie geanalyseerd worden. De mate van aanwezigheid van kristallen in de synoviale vloeistof is in het algemeen gerelateerd aan de mate van klinische verschijnselen, maar discrepanties kunnen bestaan. Histologie (voor het aantonen van calciumpyrofosfaat-kristallen in synoviaal weefsel) wordt maar zelden gebruikt.

Beeldvormende diagnostiek

Calciumpyrofosfaat-kristallen zijn op röntgenfoto’s te zien als lineaire radiodense gebieden in bind- en kraakbeenweefsels. Zoals eerder beschreven wordt de term chondrocalcinose gebruikt voor dit radiologische beeld van de kristal-deposities. Chondrocalcinose wordt vaak bij toeval ontdekt, daar de indicatie voor de te maken röntgenfoto doorgaans een andere reden betreft dan de verdenking op chondrocalcinose of het bestaan van een kristal-artropathie.

Echografie is een andere, voor de patiënt weinig belastende, manier om calciumpyrofosfaat-kristallen in beeld te brengen. In vergelijking met de analyse van de synoviale vloeistof (die als ‘gouden standaard’ werd gebruikt) werd voor echografie een hoge specificiteit, sensitiviteit en positief- en negatief voorspellende waarde gevonden.12
Een gestelde diagnose rechtvaardigt het uitsluiten van eerder genoemde metabole of endocriene stoornissen die met het pyrofosfaatmetabolisme geassocieerd zijn. In dit kader dient het serum te worden onderzocht op waarden van calcium (Ca), fosfor (P), magnesium (Mg), alkalisch fosfatase (AF), ferritine, ijzer (Fe), transferrine, parathyroïdhormoon (PTH) en thyroid-stimulerend-hormoon (TSH).4

Behandeling en profylaxe

Bij acute calciumpyrofosfaat-kristal artritis

Bij een aanval van acute artritis op basis van calciumpyrofosfaat-kristallen vormen rust van het aangedane gewricht en ijsapplicatie belangrijke pijlers in de behandeling. Ook wordt aspiratie van de synoviale vloeistof aangeraden (zowel voor het stellen van de diagnose als voor het therapeutisch verwijderen van de kristallen), waarna een intra-articulair depot van glucocorticosteroïd kan worden achtergelaten.13 Wanneer sprake is van een polyartritis, is dit vaak niet praktisch en worden NSAID’s of colchicine voorgeschreven.
Het gebruik van een lage dosis orale colchicine (0.5 mg. 3-4 maal per dag, na een eventuele oplaaddosis van 1mg) als profylaxe bij patiënten met recidiverende aanvallen van acute calciumpyrofosfaat-kristal artritis lijkt zinvol.13 Bij het gebruik van colchicine (0.6 mg. tweemaal daags) werd een afname van het aantal episodes bij 90% van de patiënten gevonden, van gemiddeld 3.2 naar gemiddeld 1.0 episode per patiënt per jaar.14

Bij chronische artropathie door kristal-deposities

Er is geen bewezen effectieve therapie die een progressieve kristal artropathie voorkomt of reeds aanwezige kristallen verwijdert. De huidige behandeling bestaat daarom uit het behandelen van de symptomen met pijnstillers en NSAID’s (inclusief zogenaamde ‘maagbescherming’ zoals protonpomp-inhibitors op indicatie).
In theorie zou kunnen worden aangegrepen op de pathofysiologische mechanismen die aan chondrocalcinose ten grondslag liggen, bijvoorbeeld door in te spelen op de hoge waarden van anorganisch pyrofosfaat (PPi). Ondanks onderzoek naar het gebruik van diverse ‘pharmalogicals’ lijkt dit vooralsnog toekomstmuziek.13
In geval van ernstige klachten ten gevolge van een destructieve kristal artropathie kan gewrichtsvervangende chirurgie als laatste optie overwogen worden.

Sport en chondrocalcinose

Wat moet de sportarts met chondrocalcinose? Deze vraag is van belang maar lastig te beantwoorden, aangezien in de literatuur zeer weinig geschreven is over de relatie tussen sport en chondrocalcinose.7 Het is wel mogelijk te komen tot een aantal speculaties. Zo kunnen de klachten die door calciumkristallen kunnen worden veroorzaakt -zoals pijn, stijfheid, zwelling en bewegingsbeperking- vanzelfsprekend zeer belemmerend zijn in het uitvoeren van bewegingen in het algemeen en sport in het bijzonder. Het kan zo zijn dat een recent (sport-)trauma de voorheen asymptomatisch aanwezige chondrocalcinose aan het licht brengt.7
Een aspect uit de casus dat aandacht verdient is het overgewicht. In het algemeen kan worden gesteld dat sporten (in combinatie met een gericht voedingsadvies) een positieve bijdrage levert aan gewichtsvermindering en zo indirect zorgt voor een lagere belasting van de gewrichten. Een directe associatie tussen het BMI en het risico op CPPD bestaat niet.3
Verder is bij deze volleybalster sprake van gegeneraliseerde hypermobiliteit. Een associatie tussen hypermobiliteit en chondrocalcinose is eerder beschreven. Bird et al. vonden chondrocalcinose bij 50% van de patiënten met hypermobiliteit bij wie artroscopisch en histologisch onderzoek was uitgevoerd. De gedachte dat chondrocalcinose het eindstadium is bij alle patiënten met hypermobiliteit wordt geopperd.15

Interessant voor de sportgeneeskunde is de vraag of menisci die chondrocalcinose tonen eerder ruptureren. Hoewel er geen wetenschappelijk bewijs voor is, lijkt de gedachte dat minder elastische menisci minder soepel bewegen over het tibiaplateau en eerder ruptureren –met name bij sporten met torsiemomenten – logisch. Over de betekenis van (positieve of negatieve) meniscustests bij chondrocalcinose is niets geschreven. Wel is een retrospectieve studie uitgevoerd naar het risico op chondrocalcinose in knieën waarbij een menisectomie heeft plaatsgevonden. Het betrof in 81% van de gevallen een mediale menisectomie, in 17% van de gevallen een laterale menisectomie en bij 2% was zowel de binnenste- als buitenste meniscus verwijderd. De gemiddelde leeftijd ten tijde van de operatie was 32.5 jaar. Het risico op chondrocalcinose bleek (na een gemiddelde follow-up duur van 24.8 jaar) in de geopereerde knie met 20% vijf maal groter dan het risico op chondrocalcinose in de contralaterale, niet-geopereerde knie (4%).16

Aanbevelingen

Omdat chondrocalcinose zeldzaam is bij personen jonger dan 50 jaar, is het zeker bij die patiëntengroep gerechtvaardigd aanvullend onderzoek te doen als de radiologische diagnose gesteld wordt. Dit onderzoek zou moeten bestaan uit een serumscreening op Ca, P, Mg, AF, ferritine, Fe, transferrine, PTH en TSH. Op die manier kunnen eventuele metabole- of endocriene stoornissen uitgesloten dan wel aangetoond worden. Men moet er echter op bedacht zijn dat het diagnosticeren en succesvol behandelen van een onderliggende ziekte geen garantie is gebleken voor het stoppen of omkeren van het proces van calciumpyrofosfaat-aandoeningen.4
Bij de verdenking op een familiaire overerving is screening betreffende het ANKH-gen door de klinisch geneticus geïndiceerd.
Wat betreft het aanvullend onderzoek in geval van een artritis is de analyse van synoviaal vocht op dit moment de gouden standaard voor het bevestigen van de diagnose. Daarnaast kunnen zowel röntgenfoto’s als echografie gebruikt worden.
Volgens de huidige stand van zaken moet de therapie gericht zijn op het bestrijden van symptomen, mits die aanwezig zijn. Asymptomatisch aanwezige, bij toeval gevonden chondrocalcinose behoeft geen behandeling.
Zolang chondrocalcinose een toevalsbevinding is en in het dagelijks leven en tijdens het sporten geen klachten geeft, hoeven geen beperkingen te worden opgelegd ten aanzien van de sportactiviteiten. Zodra de chondrocalcinose wél klachten geeft kunnen de betrokken gewrichten gebruikt worden op geleide van de klachten. Bewegingsvormen die relatief weinig belastend zijn voor de betrokken gewrichten verdienen de voorkeur. Vaak betreft het dan sporten waarbij bewegingen met (belaste) axiale- en torsie-componenten tot een minimum beperkt zijn, zoals bijvoorbeeld zwemmen of fietsen.

Hoofdpunten

  1. Chondrocalcinose verwijst naar het radiologische of histologische beeld van calciumkristal-deposities; calcium pyrophosphate deposition (CPPD) wordt gebruikt als overkoepelende term voor aandoeningen op basis van calciumpyrofosftaat-kristallen.
  2. De prevalentie van chondrocalcinose neemt toe met het ouder worden; andere risicofactoren zijn een doorgemaakt (sport-)trauma van het betreffende gewricht en metabole aandoeningen.
  3. De gouden standaard bij het diagnosticeren van CPPD bestaat uit analyse van synoviaal vocht, maar röntgenfoto’s en echografie zullen in de dagelijkse praktijk meer geschikt zijn voor de diagnostiek.
  4. Bij sporters <50 jaar met chondrocalcinose is screening naar metabole of endocriene stoornissen (hemochromatose, hypomagnesiëmie, hypofosfatemie en hyperparathyreoïdie) geïndiceerd en moet familiaire predispositie overwogen worden.
  5. Therapie bij een acute calciumpyrofosfaat-kristal artritis bestaat uit rust, ijsapplicatie, aspiratie van synoviale vloeistof met achterlaten van een intra-articulair glucocorticosteroïd-depot en eventueel colchicine.
  6. Bij asymptomatisch aanwezige chondrocalcinose is geen behandeling nodig en kan het sporten gecontinueerd worden; in andere gevallen kan gesport worden op geleide van de klachten met relatief weinig belastende bewegingsvormen voor de betreffende gewrichten.

Referenties

  1. McCarty DJ. Calcium pyrophosphate dihydrate crystal deposition disease – 1975. Arthritis Rheum. 1976;19(3):275-285.
  2. Steinbach LS. Calcium pyrophosphate dihydrate and calciumhydroxyapatite crystal deposition diseases: imaging perspectives. Radiol. Clin. North Am. 2004;42:185-205.
  3. Zhang W, Doherty M, Bardin T, Barskova V, Guerne P-A, Jansen TL, et al. European League Against Rheumatism recommendations for calcium pyrophosphate deposition. Part I: terminology and diagnosis. Ann. Rheum. Dis. 2011;70:563-570.
  4. Jacobs JWG, Prins APA. Kristalartropathieën. In: Bijlsma JWJ, Geusens PPMM, Kallenberg CGM, Tak PP (red.). Reumatologie en klinische immunologie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2004;278-292.
  5. Richette P, Bardin T, Doherty M. An update on the epidemiology of calcium pyrophosphate dehydrate crystal deposition disease. Rheumatology 2009;48:711-715.
  6. Dieppe PA, Alexander GJM, Jones HE, Doherty M, Scott DGI, Manhire A, et al. Pyrophosphate arthropathy: a clinical and radiological study of 105 cases. Ann. Rheum. Dis. 1982;41:371-376.
  7. Jennings F, Lambert E, Fredericson M. Rheumatic diseases presenting as sports-related injuries. Sports Med. 2008;38(11):917-930.
  8. Jones AC, Chuck AJ, Arie EA, Green DJ, Doherty M. Diseases associated with calcium pyrophosphate deposition disease. Semin. Arthritis Rheum. 1992;22(3):188-202.
  9. Pendleton A, Johnson MD, Hughes A, Gurley KA, Ho AM, Doherty M, et al. Mutations in ANKH cause chondrocalcinosis. Am. J. Human Gen. 2002;71:933-940.
  10. Ryan LM, Wortmann RL, Karas B, McCarty DJ Jr. Cartilage nucleoside triphosphate (NTP) pyrophosphohydrolase. I. Identification as an ecto-enzyme. Arthritis Rheum. 1984;27(4):404-409.
  11. Ho AM, Johnson MD, Kingsley DM. Role of the mouse ank gene in control of tissue calcification and arthritis. Science 2000;289:265-270.
  12. Filippou G, Frediani B, Gallo A, Menza L, Falsetti P, Baldi F, et al. A “new” technique for the diagnosis of chondrocalcinosis of the knee: sensitivity and specificity of high-frequency ultrasonography. Ann. Rheum. Dis. 2007;66:1126-1128.
  13. Zhang W, Doherty M, Pascual E, Barskova V, Guerne P-A, Jansen TL, et al. EULAR recommendations for calcium pyrophosphate deposition. Part II: management. Ann. Rheum. Dis. 2011;70:571-575.
  14. Alvarellos A, Spilberg I. Colchicine prophylaxis in pseudogout. J. Rheumatol. 1986;13(4):804-805.
  15. Bird HA, Tribe CR, Bacon PA. Joint hypermobility leading to osteoarthrosis and chondrocalcinosis. Ann. Rheum. Dis. 1978;37:203-211.
  16. Doherty M, Watt I, Dieppe PA. Localised chondrocalcinosis in post-menisectomy knees. Lancet 1982;1:1207-1210.